Dan zal god ook wel niet bestaan

Hij was boos.

Razend ! De acht jarige Frank had zijn sinterklaas surprises al stuk getrapt. Met een driftige zwaai had hij de treintjes in het kerstlandschap van zijn tafel gemaaid. De vulling van zijn kussen lag door de hele kamer. Nu wist hij niet meer hoe hij nog meer boos kon zijn. De tranen sprongen uit zijn ogen. Hoe konden ze.

Hij had eerder die dag tegen zijn moeder aangeleund op de bank gezeten. Het eten pruttelde in de keuken, de tafel was gedekt. Ze hadden, zoals vaker, even een momentje samen, voor zijn zussen en zijn vader binnen kwamen om te eten. Soms las moeder voor of ze keken gewoon naar het dansen van de vlammetjes. Lekker kroelen. ‘Het wordt tijd dat ik je iets vertel’, was moeder begonnen. Haar stem klonk serieus. Frank keek haar aan. ‘Je bent nu oud en wijs genoeg om te weten dat Sinterklaas niet bestaat. Papa en mama kopen de kadootjes.’ De rest had hij niet eens meer gehoord. Hij kon het niet geloven. Hadden ze hem al die tijd voorgelogen. Alle volwassen, ook de meester en de juffen? ‘Sinterklaas bestaat niet’, brieste hij, ‘en de kerstman dan?’ Moeder schudde haar hoofd. ‘Nee, bestaat ook niet’. Het was niet eerlijk. Hij voelde zich verraden.

‘Dan zal god ook wel niet bestaan.’

Had hij geschreeuwd. Hij had haar antwoord niet eens afgewacht maar was de kamer uitgerend, de trap op gedenderd, met alle deuren gesmeten en nu zat hij op zijn kamer. Mateloos verdrietig te zijn. Sint, de Kerstman, god. Het waren dus allemaal leugens. Wat was er dan nog meer niet echt? Waren zijn ouders misschien helemaal niet zijn ouders? Het raasde maar door in zijn hoofd. De ene verschrikkelijke gedachte tuimelde over de andere heen. Hij gooide zich op bed, zocht zijn IPad, frummelde de oortjes van de koptelefoon in en sloot zich af voor de huisgeluiden met zijn muziek. Hij ging niet naar beneden om te eten en besloot dat hij ook geen kerst zou vieren dit jaar.

Na een lange tijd voelde hij zich niet beter maar wel wat rustiger. Hij deed de muziek uit en merkte dat het stil was in huis. Zijn zussen hadden kerstviering van hun school vanavond, herinnerde hij zich. Daar zouden ze nu wel heen zijn allemaal. Dan was oma er om op hem te passen. Zij zou het begrijpen, zij begreep altijd alles. Hij ging naar beneden. De huiskamer was opgeruimd, de vaatwasser zoemde, de kaarsjes branden. Oma zat rustig op de bank. Ze deed niks. Dat kon Oma en dat was zo fijn aan haar. Hij kroop naast haar. Een poosje zeiden ze niets.

‘Ik ga dit jaar geen kerst vieren’,  zei Frank tenslotte. Oma knikte. ‘Ja, dat begrijp ik.’ Ze sloeg haar arm om hem heen en vroeg; ‘Ben je erg boos op ons?’ Frank knikte driftig. De tranen prikten alweer achter zijn ogen. ‘Ik vind het gemeen. Jullie hebben allemaal gelogen.’ Hij maakte zich los en keek haar aan. ‘Waarom?’ Oma keek hem aan, zoals alleen oma’s dat kunnen en hield haar hoofd schuin. ‘We hebben allemaal geloofd dat Sinterklaas bestond, totdat onze ouders ons vertelden dat zij de kadootjes kochten. Ik was ook heel verdrietig toen ik dat ontdekte.’

‘O. Dus iedereen doet er aan mee’, concludeerde Frank verbaasd. Oma knikte alleen maar. ‘Het is even schrikken he. Maar hoe wil jij geen kerst vieren dit jaar?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Nou, gewoon. De kerstboom moet er uit en dan zie ik wel verder.’ Oma deed haar wenkbrauwen omhoog, keek naar de opgetuigde kerstboom en zei toen; ‘Dat is misschien wel een heel goed idee. Zal ik je daarbij helpen?’ Frank klaarde op. Dat had hij niet verwacht. Hij sprong op en pakte Oma’s hand. Hij trok de stekker uit het stopcontact en samen haalden ze een voor een de lichtjes uit de boom. Alle ballen gingen in de dozen die nog in de schuur stonden. Oma deed alles in grote kratten en bracht het naar achteren.

Daar stond de lege kale boom. Dat voelde goed, dacht Frank, ‘en nu leggen we hem buiten neer.’ Ze zeulden de boom door de gang, door de voordeur en legden hem op de tegels voor het raam. ‘Mag ik hem verbranden Oma?’ ‘Nee joh’, reageerde Oma, ‘dat is te gevaarlijk hier zo dicht bij het huis. Misschien kun je dat morgen samen met papa doen op een plek waar het veilig is.’ Daar baalde hij van. Zo was het nog niet af. Hij wilde vuur zien om zo zijn laatste boosheid te verbranden. Gedwee ging hij echter mee naar binnen. Oma zei niets van de chaos op zijn kamer toen ze hem naar bed bracht. Ze pakte een nieuw kussen uit de kast op de overloop en kuste hem welterusten.

Slapen kon hij niet. Hij moest en hij zou die kerstboom verbranden, hij kreeg het niet uit zijn hoofd. Dan pas was het klaar. Of zo. Na heel wat woelen en draaien stond hij op. Hij pakte de oude gehavende zippo van zijn opa uit zijn doos met schatten achter in zijn kast. Er kwam nog een vlammetje uit. Dat was vast genoeg om de boom in de hens te steken. Zachtjes liep hij op zijn kousen zijn slaapkamer uit. Nog zachter sloop hij de trap af. Hij wist precies welke treden kraakten. De voordeur piepte even en hij hield zijn adem in of hij iets hoorde uit de huiskamer. Maar nee. Hij legde de deurmat op de drempel zodat de deur niet dicht zou vallen en viel op zijn knieën. Hij hield het kleine vlammetje bij een tak van de boom. Er knetterde wel iets, het smeulde een beetje maar echt branden deed het niet. Net toen de tak leek te gaan gloeien ging de vlam van de aansteker uit. Hij zuchtte. Jammer. Leeg. Teleurgesteld ging hij zachtjes weer naar binnen en naar boven.

Frank werd wakker van een rare piep. Hij was blijkbaar toch in slaap gevallen maar nu piepte er iets beneden, niet even maar voortdurend. Wat was dat? Hij sprong zijn bed uit en deed zijn kamerdeur open. Het geluid kwam van beneden. Bij de deur van de huiskamer rook hij een branderige lucht. Binnen zat Oma op de bank te dutten. Buiten het raam zag hij vuur. Was de kerstboom toch gaan fikken? ‘Oma’, riep hij en schudde haar wakker. Oma schrok op. ‘Er is brand’. Ze keek in de richting waarin Frank wees en zag de vlammen en de rook. Ze pakte haar telefoon uit de tas en belde 112. ‘Pak alle handdoeken die je kunt vinden in de badkamer’, zei ze toen kalm tegen Frank. Hij rende naar boven en kwam met stapels handdoeken naar beneden. Oma maakte ze nat en samen haalden ze de vensterbank leeg en legden de druipende handdoeken tegen het kozijn. Misschien zou dat het vuur lang genoeg tegenhouden. Daarna nam ze Frank mee naar de achterkamer en wachtten ze vol spanning op de komst van de brandweer.

‘Bats’. Met een enorme knal versplinterde de grote voorruit in honderden kleine stukjes. Frank sprong in de lucht van schrik. Op hetzelfde moment reed de brandweer loeiend de straat in. De mannen sprongen de wagen uit. Buren kwamen naar buiten en volgden alles nieuwsgierig. Oma liet een van de mannen binnen terwijl de anderen aan het blussen sloegen. Hij bekeek de situatie, schatte het gevaar in en vroeg toen of ze allebei in orde waren. Dat waren ze. Op de schrik na dan. Het vuur was snel geblust. Het kozijn was wel geblakerd maar had gelukkig niet echt vlam gevat. Er zou iemand komen om voor vannacht planken voor het gapende gat te slaan en dan moesten ze morgen maar bellen met de verzekering en een glaszetter.

Een jonge brandweerman uit de straat, Frank kende hem wel, kwam nog even binnen en vroeg; ‘Waarom lag de kerstboom buiten? Kerst moet toch nog beginnen?’ Oma keek naar Frank, Frank keek naar Oma. ‘Eh, nou, eh, ik wil geen kerst meer vieren.’ De brandweerman keek hen om beurten aan en knikte eens. ‘Juist. Hebben jullie nog iemand voorbij zien komen misschien? Jongelui die een geintje wilden uit halen? Zijn ogen bleven rusten op Frank. Hij kroop een beetje achter Oma weg en bekende schoorvoetend dat hij de boom in de fik had willen steken, maar dat de aansteker leeg was en dat hij niet wist dat de boom toch was gaan branden. De jonge man keek nu heel verbaasd maar ook geïnteresseerd. Oma legde alles uit. Hoe Frank teleurgesteld was omdat hij net gehoord had dat Sinterklaas niet bestond en de Kerstman ook niet. Dat hij daarom geen kerst meer wilde vieren en ze samen de boom hadden afgetuigd. ‘Dat is ook niet niks nee’, knipoogde de brandweerman glimlachend naar Frank, ‘dat weet ik zelf nog goed hoe stom ik dat vond toen ik ontdekte dat mijn ouders voor Sinterklaas speelden. Maar eh, je hebt geluk dat de brandweer wel echt bestaat. Of niet dan?’ Oma liet hem uit en stuurde daarna Frank naar de douche.

Hij stond heel lang onder de warme stralen tot hij geen brandlucht meer rook. Het leek ook wel of al zijn boosheid wegspoelde, zo het putje in. In een schone pyjama en met zijn dikke pluizige kamerjas aan ging hij naar beneden. Daar was het een drukte van belang. Hij maakte zich klein op een stoel. Vader en moeder en zijn zussen waren binnen gekomen en riepen door elkaar terwijl Oma probeerde te vertellen wat er gebeurt was. Pas toen de gemoederen bedaard waren en de zussen naar boven verdwenen zagen vader en moeder hem. Oma ging naar huis en streek hem nog even over zijn natte haar. ‘Het is allemaal goed, jongen, het is allemaal goed’, zei ze.

Zijn ouders gingen tegenover hem op de bank zitten. Vader met een frons op zijn voorhoofd. Moeder zat voorovergebogen op het randje met haar handen in elkaar geslagen. Ze keek hem niet aan terwijl ze sprak. ‘Frank, ik wil je mijn excuses aanbieden. Wij willen je onze excuses aanbieden.’ Hoorde hij dat nu goed? Hij had bijna het hele huis in de brand gezet, ze hadden wel dood kunnen zijn en zijn moeder ging sorry zeggen? ‘Heel vaak heb ik niet in de gaten dat jij anders in elkaar steekt dan je zussen.’ Ze keek even op naar zijn vader. ‘Dat dingen voor jou en mij soms anders binnenkomen dan bij je moeder en bij je zussen’, vulde hij aan, ‘heftiger, zeg maar.’ Moeder knikte.

Zag hij nu een traan bij haar naar beneden vallen? ‘Ik ben er te nuchter voor en neem vaak niet de tijd om jou te begrijpen. Dus sorry daarvoor.’ Hij stond op en liep naar zijn moeder. Zij deed haar hoofd omhoog en keek hem met betraande ogen aan. ‘Je hebt ons wel laten schrikken hoor’, snifte ze, terwijl Frank haar tranen wegveegde. Ze knuffelden en spraken nog lang over alles na. Hoe je als gezin het samenzijn kunt vieren, ook zonder Sint, zonder Kerstman. Frank had veel om over na te denken. Wat hij misschien nog wel het fijnste vond was dat papa en hij dus op elkaar leken. Dan kon hij eens vragen hoe hij dat dan deed als hij boos werd.

Uiteindelijk werd er die nacht nog door iedereen min of meer geslapen.

Een week later op eerste kerstdag werd Frank wakker van een stilte die anders was dan normaal. Hij keek uit zijn slaapkamerraam en zag kleine witte vlokjes naar beneden dwarrelen. Sneeuw. Kerstsneeuw. Zo echt als het maar kon zijn. Beneden had zijn vader de open haard al aan gestoken, de tafel was kerstig gedekt, kaarsjes branden. Het rook naar koffie, vers brood en chocolademelk. In de huiskamer was een nieuw voorruit gekomen die week en alle troep was opgeruimd. Volgende week zou een schilder het kozijn onder handen nemen. Vader gaf hem een mok met warme chocolademelk. Hij kroop bij de haard. Samen slurpten ze het hete vocht naar binnen. ‘Hoe doe jij dat als je boos bent, pap?’ Zijn vader keek hem aan. ‘Dat is een goeie vraag, jongen. Ik vreet hem op, de boosheid. Snap je? Ik slik het in, ik beheers me. Soms trek ik me letterlijk even terug. Jij gooit het er allemaal meteen uit. Dat zou ik ook wel willen. Maar zoals ik het doe en zoals jij het doet is allebei niet echt handig. Zullen we daar samen eens een keer wat aan gaan doen?’ Frank knikte. Dat zou fijn zijn.

Langzaam werd het hele gezin wakker en schoof aan de kerstbrunch tafel. Frank pakte zijn eerste broodje en zag twee extra borden staan. ‘Wie komen er nog meer?’ Op dat moment klonk een harde claxon buiten voor de deur. Hij sprong op. Opa en oma in hun grote Pick-up hadden de sneeuw getrotseerd. Op zijn sloffen begroette hij ze. Opa tilde hem op in zijn grote sterke armen. Oma knuffelde hem wat rustiger maar niet minder intens. ‘Wil je me even helpen Frank?’ Opa liep naar de achterklep. Daar lag een verse kerstboom. ‘O, geweldig’, riep Frank uit, ‘echt gaaf Opa!’

De rest van de kerstbrunch werd een prettige chaos van het optuigen van de kerstboom, eten en drinken en het uitwisselen van cadeaus. Voor het merendeel boeken. Hier gaat Kerst dus om, dacht Frank terwijl iedereen bekeek, dit gevoel. Dat je allemaal anders bent en toch samen en dat dat helemaal goed is.

Fijne feestdagen, hoe je ze ook viert en tot ziens in 2019

Oud & Nieuws 2018

Over Maarten Smit

Maarten Smit woont tegen de Utrechtse heuvelrug aan. Hij is werkzaam als customer service medewerker voor het FD | Schrijft 'Jesse en de blauwe draak' | Dirigent van zijn koor Fluent | Blogger 06 3404 59 62 [UA-39119863-1]
Dit bericht is geplaatst in Beelddenken met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.